December 2025
Na het Europese alarmsignaal van Mario Draghi heeft nu ook Peter Wennink zijn diagnose voor Nederland gepresenteerd. Zijn rapport De Route naar Toekomstige Welvaart leest als een dwingend ultimatum: Nederland moet minimaal 1,5 tot 2% jaarlijkse economische groei realiseren om de exploderende kosten voor zorg, defensie en klimaat te kunnen betalen. Zonder deze groei, zo waarschuwt Wennink, stevent onze staatsschuld af op onhoudbare niveaus. Zijn recept is helder en volgt een klassieke economische logica: we moeten onze arbeidsproductiviteit verhogen door €151 tot €187 miljard te investeren in high-tech domeinen zoals AI, biotech en chips, en tegelijkertijd de regeldruk drastisch verlagen om “strategisch relevant” te blijven op het wereldtoneel.
De mythe van de verlossende groei
Hoewel deze redenering verleidelijk logisch klinkt – financiële nood vraagt om groei, groei vraagt om tech – rust het verhaal op fundamentele aannames die te weinig ter discussie worden gesteld. Allereerst wordt economische groei gepresenteerd als een onontkoombare natuurwet, terwijl alternatieve modellen zoals ‘brede welvaart’ en post-growth laten zien dat we maatschappelijk welzijn ook kunnen loskoppelen van materiële expansie. De focus op arbeidsproductiviteit negeert bovendien de ‘productiviteitsparadox’: winsten vloeien vaak naar aandeelhouders, terwijl efficiëntiewinsten door rebound-effecten vaak leiden tot nóg meer consumptie in plaats van meer productiviteit, om nog maar te zwijgen van meer welzijn.
Regelgeving als innovatiemotor
Een andere problematische stelling is dat regelgeving per definitie de vijand is van concurrentievermogen. Net als Draghi stelt Wennink dat “te veel regels” onze innovatie smoren. Dit negeert de realiteit dat ambitieuze regelgeving juist een motor voor vernieuwing kan zijn. De Europese auto-industrie verloor de slag met Tesla en BYD echt niet door ‘te veel regels’, maar door een jarenlange vasthouden aan en lobbyen voor snel verouderende fossiele technologie. Succesverhalen zoals privacy beschermende technologie (GDPR), ecodesign in producten (ESPR) en USB-C als standaard bewijzen dat strenge standaarden juist nieuwe markten creëren, een gelijk speelveld garanderen en publieke waarden beschermen.
Democratie in de uitverkoop
In het verlengde van deze roep om deregulering, schetst het rapport ook een zorgwekkende visie op ons democratisch bestuur. Wennink stelt onomwonden dat de democratisering van de besluitvorming is “doorgeschoten”, wat zou leiden tot besluiteloosheid en trage procedures. Als oplossing pleit hij voor centralisatie: een nationale ‘Commissaris voor Toekomstige Welvaart’ met wettelijke “doorzettingsmacht” om knopen door te hakken en procedures te omzeilen. Dit technocratische reflex miskent echter de tijdgeest: burgers vragen juist om méér inspraak en zeggenschap over hun leefomgeving, niet minder. Het forceren van besluiten onder het mom van economische urgentie vergroot de afstand tussen politiek en samenleving en ondermijnt het draagvlak dat nodig is voor échte transities. Efficiëntie mag nooit een excuus worden om de democratische controle buitenspel te zetten.
Blindstaren op high-tech
Daarnaast creëert de eenzijdige focus op complexe high-tech en schaalvergroting nieuwe kwetsbaarheden. De coronacrisis was een harde les in de broosheid van mondiale, technologische ketens; juist eenvoudige, lokale productie bleek essentieel voor onze weerbaarheid. Door miljarden te sturen naar technologieën die ons afhankelijker maken van schaarse grondstoffen en geopolitieke spanningen, zien we een robuuster alternatief over het hoofd: appropriate technologyen sociale innovatie. Veel van onze urgentste crises – het personeelstekort in de zorg, eenzaamheid, of de wooncrisis – vragen niet om robots of top-down decreten, maar om menselijke, organisatorische oplossingen. Denk aan zorgcoöperaties, burgerinitiatieven en een circulaire economie die draait op reparatie en lokaal vakmanschap.
Technologie als dienaar, niet als meester
Als we de blik verruimen, zien we dat we die €187 miljard ook anders kunnen inzetten. In plaats van enkel in te zetten op mondiale tech-races, kunnen we investeren in een ‘low-tech first’ strategie waar mogelijk: passieve isolatie in plaats van energieslurpende klimaatsystemen, en regeneratieve landbouw die de bodem herstelt. We kunnen bouwen aan een economie van genoeg, waarin ecologische productiviteit – de waarde per eenheid grondstof – zwaarder weegt dan de financiële output per werknemer.
Het Wennink-rapport is een waardevolle analyse vanuit het huidige paradigma, met een aantal goede aanbevelingen erin die breed zijn opgepakt in de media en politiek, maar het risico is dat we door een te weinig kritische blik een ladder beklimmen die tegen de verkeerde muur staat. De uitdaging van de 21e eeuw is niet hoe we zo snel mogelijk de groeimachine aanzwengelen ten koste van democratische controle en ecologische grenzen, maar hoe we een veerkrachtige samenleving bouwen die technologie inzet als dienaar, niet als meester.